M’n zusje, Blonde lokken, een beetje golvend. Gezicht naar beneden gekeerd. Of ze iets wil verbergen, iets wat ik niet mag zien. Kijk me eens aan vraag ik in mezelf. Alsof ze me hoort, gaat ze rechter op staan, en kijkt me schuin aan. Dan zie ik het, niet dat ik het snap, maar ik zie het nu wel. Waarom zie ik het nu wel? Vele keren heb ik me afgevraagd hoe ze er hieruit ziet. Nu zie ik haar toch best duidelijk. Knap gezichtje (dat moet wel als het m'n zusje is natuurlijk!), lieve lach, ‘en toch een traan in haar linkeroog’. Een tuttig jurkje, geel met groen, één rood schoentje aan haar rechtervoet. De andere voet zit er niet!
Ze heeft maar een voet, dat is raar. Snel kijk ik naar haar handen, daar heeft ze er wel twee van gelukkig.
(Als ik iets eng vind is het wel mensen die ledematen missen. Onze dokter mist ook een paar vingers. Als onder het zuchten, hij z’n hand op m’n borst legt om te kloppen, net met die twee vingers, met de stethoscoop in z’n oren, gaan de rillingen door m’n lijf. Die stompjes op m’n borst vind ik zo’n smerig idee, al kan hij er denk ik niks aan doen hoor. Door hem is m’n zusje dood hoor ik soms. Hij had beter op moeten letten. Net als met het zagen van hout gok ik.)
Stiekem moet ik een beetje lachen, merk ik. De gedachte alleen al is niet erg grappig, maar goed. Eigen schuld dikke bult zeg ik zachtjes.

In m’n gedachte zie ik haar de keren daarna ook meestal zo. Waarom weet ik niet, want geel, groen, en rood is niet echt een goeie combi vind ik. Ook dat ze maar een schoen, en voet heeft verbaasd me.

Zou dat door de Efteling komen. (Daar zijn we pas geweest namelijk. Bij het kijken, en luisteren naar de rode schoentjes op die oude steentjes, toen we er waren, beeldde ik me in dat het schoentje van m’n zusje was. Ze was hem verloren, net als assepoester. Alleen m’n zusje was hem voor altijd kwijt. Assepoester kreeg hem terug van een of andere prins waarmee ze ging trouwen.) Toen ik klein was hebben m’n ouders een schoentje van mij in brons laten gieten, net als die van m’n broers. Als ik er naar kijk, denk ik meestal eerst ff, wat een werk joh, daarna vaak aan dat zij de andere bij zich heeft. Volgens mijn moeder had ik vroeger namelijk rode lakschoentjes. Dat past wel bij de tuttige dingen die de mensen in die tijd hadden denk ik. Misschien heeft zij wel mijn niet in brons gegoten schoen aan? Dat we elkaar daarom aanvoelen of zo. Maar waar is haar andere voet dan? Waarom zie ik die niet? Als daar nou eens een klomp aan zat of zo, dat is lachen. Een klompvoetje, en rood lakschoentje, helemaal erg dus. Whahaha, ik zie d’r al lopen joh. Een plof met echo klinkt door de ruimte, en weg is ze! Ineens bedenk ik dat ze een traan kan hebben omdat ik haar zo uitlachte. Oh jee!

Nu voel ik me erg schuldig, en zeg snel sorry, maar dat blijkt niet te helpen want ze komt niet meer terugzie ik, na een tijd gewacht te hebben. Ze blijft weg.
“Doe toch niet zo stom altijd Malec!” hoor ik uit m’n mond komen, best hard ook nog. Sjesus, wat een lul! Altijd als iets leuk is, wordt het abrupt gestopt denk ik vaak.

Het is ook niet leuk natuurlijk, maar dat doen broer en zussen toch altijd! Tenminste in onze familie wel. We zijn niet de enige toch? Dat kan ik me niet voorstellen hoor. Ik hoor vaak van vriendjes dat hun het ook doen met hun broers en zussen dus vind ik het wel goed ff. Ik sliep dus, merkte ik omdat ik langzaam wakker word. M’n moeie ogen gaan op zoek naar de wekkerradio om te kijken hoe laat het is, en of ik al uit bed kan. Maar nee, ik slaap nog maar kort zie ik. Vandaar ook die moeie ogen, en de plof was zie ik een Single hoes die van het schuine dak op de grond viel. Hij was niet goed vast geplakt door ondergetekende. Ik raap hem op gooi hem aan de kant, ga naar beneden om te plassen, daarna weer slapen, want ik heb nog een hele nacht bijna voor de boeg.

M’n wekker loopt af, het is weer ochtend. Terwijl ik alles doe wat ik normaal doe ’s ochtends, zie ik dat het hoesje wat vannacht gevallen was, de single hoes van de band September was. Een vage Nederlandse rockband, waarvan wel heel toevallig op kant A het nummer ‘Little Sister ’op staat...

Zusje…
(Voor m’n zusje)

Zusje, waar ben je heen?
Zusje, waarom liet je ons alleen?

Zusje, ik ken je nog niet zo goed,
Zusje, je dood een plek geven, ik weet niet hoe dat moet.

© Malec Gebrek
.....

…Op de basisschool (Vijfde klas, wat nu groep zeven is) onder een les waar we iets voor ons zelf moeten doen, kijk ik toch weer heel even naar de lege stoel waar een tijdje geleden nog gewoon een meisje zat in onze klas. Nou ja, kijken? Het was weer staren (iets wat ik ook doe als ik naar een vlam van een kaars kijk, als of de wereld om me heen weg ebt. Stemmen om me heen worden zachter, beelden opgeslokt door de gloed en het vuur...)

Een meisje die me geruststelde elke keer dat me iets gebeurde. Een gezellige, leuke, knappe meid, maar vooral een soort steunpilaartje (zo groot is ze niet namelijk). Hier maakte we ook met veel plezier grapjes over, wat ze wel kon waarderen. Alleen als we boos waren, net als met andere vriendjes en vriendinnetjes, bekogelden we elkaar met alle gebreken. Dat was dan wel geoorloofd of zo, omdat we het over en weer deden. Goed maken deden we het ook meestal weer snel, dat dan weer wel. Een aantal uitzonderingen daar gelaten.

Een middag na school ging het bij haar zo gigantisch mis, dat ze nu nooit meer op de stoel zit. Hoe en wat zullen jullie nu niet horen van mij. Dat juist zij zo uit leven moest stappen 'van onze lieveheer', heb ik nooit gesnapt. Daar heb ik dan ook de grootste moeite mee, dat juist zulke mensen dat moet overkomen. (Daar is m'n geloof denk ik ook weer door verminderd.) Waarom neemt Hij diegene die zo belangrijk zijn voor een hoop mensen, dat begrijp ik gewoon niet. Iedereen mocht haar graag, waardoor haar verlies ook op school een enorme impact heeft op ons allemaal. Kind, meester, juf, ouder, iedereen is wel een paar maanden behoorlijk van slag.
Haar bidprentje staat vanaf het moment dat ik hem heb op m'n slaapkamer op een opvallende plek.
M'n eerste overlijden van te dichtbij die ik zo bewust meemaak, waardoor ik de dood als een rare vijand zie.

Mijn dromen op dit moment gaan vaak van, of via haar en nog iemand (wat dus m’n overleden zusje blijkt te zijn) over in mooie, en of de vreselijkste dingen, alsof hun dood een soort luik is. Waardoor ik meer kan zien, of aanvoelen denk ik vaak. Ook merk ik steeds vaker dat ik dingen heb zien aankomen. (Ik zeg dus heb zien aankomen, omdat ik achteraf pas merk dat ik niet goed oplet op het moment zelf.)

Een paar maanden geleden ging ik buiten spelen zoals wel vaker voorkomt natuurlijk. Ik ben namelijk vaak buiten, lekker met vrienden, en vriendinnen. Buiten voel ik me lekker, zelfs als het keihard regent, loop, fiets, rolschaats ik graag. Ook vaak gewoon liggend in het gras naar de lucht kijken, en verder geen reet doen is een hobby van mij. Vlieger mee, zo een die je met twee touwtjes kan besturen, zodat je uren van huis bent. Maar nu was het anders dan normaal. Dit merkte ik aan het gevoel wat ik had met het lopen naar een plek waar ik nooit zomaar naar toe ga. Ik liep er heen zonder dat ik wist dat ik er heen ging lopen. Een gevoel dat ik niet kan beschrijven, maar toch moet proberen. Anders had ik er ook niet over moeten beginnen tegen jullie natuurlijk.

Normaal bedenk ik onder het lopen of fietsen waar ik naar toe ga, of met wie, en nog belangrijker.
Waarom? Is het omdat ik met iemand iets ga doen, of om iets in huis te ontvluchten? Een reden heb ik altijd wel. Nou dit keer dus niet. Maar goed, ik loop zonder te denken, kijken, en op te letten, de weg over. Aangezien ik in een rustig dorpje woon, en er niet zo veel auto's rijden op ‘zondag’ of zo, is dat niet heel schokkend. Net om de hoek van de garages blijf ik staan voor de bosjes, waar vaak als ik met vrienden aan het 'tienen' ben (een balspel wat wij spelen met minimaal drie mensen en een garagedeur als doel) de bal in ligt, waardoor iemand hem moet pakken.
De bosjes dus, daar moet je zijn voor de bal of een project voor school, of hobby waar je beestjes kan vinden. Of als je heel nodig moet plassen ook soms. Ik zie een soort vanuit de lucht mezelf zoeken in de bosjes naar... ja, naar wat eigenlijk. We zijn niet aan het spelen, ik ben alleen, het is blijkbaar zondag, dus wat doe ik in godsnaam hier in de bosjes? Ineens besef ik waarom ik daar zat te zoeken, ik zag namelijk Moppie, onze poes daar liggen. Stil op haar zij. Shit.... Dood! Dat moest wel dacht ik, maar waarom liep ik er heen dan? Dit wilde ik helemaal niet zien! Tranen beginnen even later te rollen over m'n wangen. Ik blijf lang stil staan, alsof ik niet huilend naar huis kan rennen of zo. Misschien ook wel wachten tot Moppie ineens op sprong, maar dat is natuurlijk niet zo.

Ik moet voelen of ze echt dood is denk ik. Gatver! Nee, dat durf ik niet, want dooie dingen zijn vies, heb ik geleerd. Eng ook best wel. Krakend breek ik een takje van een boompje af, prik een paar keer zachtjes in de poes. De poes? Onze eigen poes Malec, denk ik. Daar ga je toch niet in zitten prikken lul! Bewegen doet ie echt niet, dus nu wel jankend op een draf naar huis toe om het nieuws te vertellen.

Door het rennen en de emotie duurt het wel even voor het thuisfront door heeft wat er is gebeurd, door m’n snikkende gestamel. Ma ging met me mee naar de plek des onheils, waar ze zegt "wat doe je dan ook daar in de bosjes Malec"? Waarop ik nog na snikkend zeg "dat weet ik ook niet mama". "Was je Moppie kwijt dan?" Zegt ma weer. "Niet dat ik weet eigenlijk, ik snap er niks van. Ik voelde gewoon iets" zeg ik nu. We gingen naar huis om een doosje te halen waar eerst de oude kranten uit moesten. Daar legden we het arme beestje in zodat we het naar huis konden nemen. "Als pappa thuis komt gaan we hem wel begraven in de voortuin" zei ma nog nadat ze een krant opengevouwen als deksel gebruikte voor de doos. "Zo nu eerst een kopje thee met een koekje voor de schrik “zei ma op een geruststellende toon.

Die middag ging ik niet meer naar buiten omdat ik dan langs de doos naast de schuur moest lopen waar onze poes in lag.
Ik loop wel een paar keer richting de doos, maar niet dichterbij dan drie meter denk ik. Ergens wil ik het wel, gewoon even kijken hoe hij erbij ligt. Of hij echt dood is, of z'n buikje nog heen en weer gaat, of z'n snorharen nog bewegen. Ik hoopte dat hij even een black out had gehad, en als ik bij hem kwam, dat hij dan weer bewoog. Van een afstand kijk ik steeds of er iets veranderd, maar nee, helemaal niks.

Daar komt pappa thuis, dan moeten we Moppie begraven denk ik. Pappa en mamma doen het meest. Ik mag helpen een schep aarde op de doos te gooien. Wat ik met tegenzin doe merk ik. Misschien ben ik bang dat ie me niet meer lief vind, wat ik me ook weer niet kan voorstellen omdat Moppie echt m'n vriendje is, ehm was!

Getsie wat moet ik nu zonder moppie? Wie moet er nu zacht spinnend tegen me aan liggen? Waarom ging Moppie nou in z'n eentje dood daar tussen die bosjes? Waarom niet gewoon in onze tuin, dat is toch veel gezelliger voor zo'n beestje? Waarom moest hij überhaupt doodgaan? Hij kon toch best wel nog wat jaartjes wachten ook al was hij best wel oud volgens de mensen die er meer van af wisten? In mensen jaren viel het wel mee, maar wat was het nou in poezen jaren? Was dat keer zeven, of keer 8? Ik vind het gewoon stom!

Ik ga een tekening voor Moppie maken, met visjes, kippetjes, en vleesjes wat ie zo lekker vond. Hij komt er niet mee terug, maar mij helpt het op dat moment wel, gek genoeg! De tekening is erg mooi geworden vind ik, en wil hem niet buiten neer leggen met een steen erop tegen het weg waaien. Dus hang ik hem op m'n kamer tegen de muur, met een dubbel plakbandje. Over de zichtbare schade aan het behang van vorige tekeningen.

Elke keer als ik iets opgehangen heb met plakband, probeer ik het voorzichtig los te maken wat vaak net niet helemaal lukt jammer genoeg. Tekenen doe ik heel veel. Van alles en nog wat heb ik getekend en gekleurd. Uren kan ik tekenen, zodat elke lijn helemaal is zoals ik het op dat moment wil hebben. Ook al is het de volgende dag ineens niet goed genoeg, en stop ik hem weg in m'n mapje. Iedereen zegt altijd, "ja nu is hij wel klaar toch"?
Maar ik vind dan van niet, en ga door met verbeteren, en of aanpassen van de tekening tot hij naar m'n zin is. Of ik gooi hem weg, begin weer opnieuw. En ezelsoren…ik hou er niet van als ze echt op m’n vellen, boeken, en schriften zitten. (Bibliotheekboeken zijn m’n ergste ergernissen trouwens met betrekking tot ezelsoren, vieze vegen en vingers! Maar tekenen doe ik ze overal op hoor. Meestal dat het net lijkt op er ruitjespapier onder zit, scheuren erbij, of een inktvlek. Ik heb uren versleten met het verfraaien van de hoeken van m’n school, en thuis spullen.) Zo komt het dat ik een hele stapel tekeningen van hetzelfde heb die allemaal net iets anders zijn. De mooiste kiezen is onbegonnen werk, omdat alle manieren wel iets heeft. Allemaal ophangen kan ook niet in een gewone jongenskamer.

Kiezen zoiezo is een lastige bezigheid voor mij, alle opties hebben natuurlijk weer andere voor-en nadelen.
Vaak neem ik ook wel de verkeerde keuze lijkt wel, waarom dat is weet ik niet. Als ik optie A kies, mis ik optie B. Eigenlijk wil ik gewoon allebei de opties hebben natuurlijk, maar dat schijnt dan weer niet te kunnen. Waarom niet? Ik kan toch eerst de eerste, en daarna de tweede keuze nemen? Nee, dat is dus geen kiezen meer. Dat vind ik dus ook gewoon stom!